Pesjawar
Verrassend veelzijdig.
Pesjawar
Peshawar is de hoofdstad van
de provincie Khyber-
Pakhtunkhwa in het
noordwesten van Pakistan en
geldt als een van de oudste
continu bewoonde steden van
Zuid-Azië..
Oppervlakte: 1,257 km²
Inwoners: 1.905.975
Info
Pesjawar
De stad ligt vlak bij de beroemde Khyberpas — een van
oudsher strategische bergpas die het Indiase
subcontinent verbindt met Centraal-Azië. Peshawar is
hierdoor al millennia lang een cruciaal kruispunt voor
handelaren, veroveraars en culturen.
Naarmate we naar Pesjwar toerijden, komen we meer steden en dorpen tegen. We schieten slechts langzaam op. Op de stoffige wegen
is het een drukte van bussen, vrachtwagen en karren die overige verkeer ophouden. Af en toe stoppen we om het stof met een hete kop
thee door te spoelen. Ondanks het door de Britten aangelegd stadcentrum, heeft Pesjawar, de hoofdplaats van de North Frontier
Provincie, haar eeuwenoud traditioneel centrum bewaard. Pesjawar wordt zo’n 2000 jaar geleden door de machtige Kushans gesticht.
Later werd chet, het centrum van Gandara-kultuur. De oude stad is een wirwar van nauwe steegjes, en doodlopende straten, waar een
drukkende sfeer heerst, die benadrukt wordt door de massa’s mensen die hier rondkuieren. We starten ons bezoek aan Andar Shehr
Bazaar,de straat van de juweliers. Het hart van de oude stad is Chowk Yadgar. Dit plein is opgedragen aan de helden van de Indisch-
Pakistaanse oorlogvan 1965. Even het hoekje omlopen en we zijn in de straat van de Koperslagers. Hier heeft men een enorme keuze
aan oude en nieuwe koperen, bronzen en tinnen voorwerpen. De gekenste shop is deze van Honest Ali, die zowel antieke als
hedendaagse stukken over heel de wereld verkoopt.
Bij de apotheek is het aanschuiven voor medicijnen en kruidenrecepten. Kleine zelfstandigen verkopen hun hun waar op straat. Voor de chogae in verschillende kleuren liggen pakole, mutsen die net platte pannekoeken lijken. Bij
wisselagenten kan men zowel officieel doch liefst via de zwarte markt geld wisselen. Alle vreemde munten worden aanvaard zolang het maar om grote coupures gaat. We lopen door Khawani Bazaar, de straat van de vertellers in.
In deze straat zijn hoge, smalle huizen met balkons, die net als de vensterluiken van fraai houtsnijwerk zijn voorzien. Sommigen zijn tot fraaie architektoniech kunstwerken verheven, het zijn de Havelis met hun gesculpteerde balkons
en ramen. In deze straat vindt men ook de goedkope restaurants en Chaikanas, de theehuisjes, waar de tongen loskomen en de meestonwaargchijnlijke verhalen en gebeurtenisen doorverteld worden. Vele straten zijn met
spandoeken overspannen. Een manier om reklame te maken of zijn politieke mening te uiten. Halfweg Andra Sher staat Mahabat Khan-moskee. Mahabat Khan, de stadsgouverneur liet de moskee in 1670 bouwen tijdens de regering
van Shah Jahan en aurangzab. Door de harmonieuze verhouding van het gebouw krijgt elke bezoeker of hij gelovig of niet, een gevoel van rust en vrede. Aan de oostzijde van het plein tussen twee ranke minaretten in bevindt zich
de gebedsruimte. Twee gegroefde koepels kronen dit vertrek dat binnenin rijkelijk versierd is met figuren en bloemmotieven in alle kleuren van de regenboog. De Mahabat moskee is de enige moskee in Peshawar die de Sikhs
overheersing overleefde. Tijdens een brand die de Sher Bazaar teisterde in 1985 bleef de moskee gepaard de niet aflatende inspanningen van de gelovigen. Sethi Street dat ons toe aan de uurwerktoren van Cunnighan brengt is de
straat van rijke kooplieden. Andere straatjes zijn voorbehouden voor de verkoop van voedingsmiddelen. Onder afdaken die bescherming bieden tegen de felle zonnestralen worden een verscheidenheid aan groeten en kruiden
verkocht. Een man verkoopt komkommers de andere biedt aardappelen aan. Merk ook op dat deaankoop door de mannen worden gedaan, je ziet nauwelijks vrouwen in de bazaars. Op sommige straathoeken kan je zien hoe met de
hand kunstige voorwerpen worden vervaardigd. Straatventers bieden prachtig juwelen te koop aan. Die kan je persoonlijk keuren, doch als westerse vrouw kan je verwaohten dat dit tot opschudding in de straat leidt. Al vlug staat er
een massa volk om je heen die metnieuwschierige blikken al je doen en laten volgen. Ook wij bewonderen deze mensen die een zekere waardigheid uitstralen, Peepul Mandi, de graanmarkt is een pleintje waarop allerlei spullen
verkocht worden die uit het buitenland als hulpgoedren naar Pakistan werden verstuurd. Aan Kabul Gate begint de Khyber Bazaar. Hier zijn de vrije beroepen gevestigd: artsen, advokaten en tandartsen. Publiciteitsborden voor
schrikwekende tandprotesen maar ook RX platen hangen vrolijk in de wind te wapperen. We logeren in het Dean' s hotel genoemd naar de eerste hoofdkommisaris van de North West Frontier. Hier wordt in een enorme tent een
bruiloftsfeest gehouden. De familie van de bruidegom geeft een receptie ter ere van hun zoon. De aanstaande bruid is tijdens het feest niet aanwezig. s' namiddags huren we een rickshaw en verkennen de ongeving van Peshawar.
Met een rickshaw kan je gemakelijk tussen het drukke verkeer door laveren. Ondertussen vertelt de bestuurder ons dat hij zijn voertuig huurt. Met het geld dat hij verdient moet hij zowel de huur, het onderhoud als de benzine betalen.
Het weinige geld dat overblijft spaart hij om zijn eigen kickshaw te kunnen kopen. Hij werkt tot 16 uur per dag, een eigen voertijg bezitten is een symbool van succes en een verwezenlijking van een droom die hem uit zijn
geboortestreek naar de stad bracht. Wazir Bagh, Shahi Bagh en Khalid bin Walid Bagh zijn drie parken die dateren uit de Mongul periode. Zij gaven Pejsawar de titel “Garden City". Jammergenoeg werden de tuinen niet
onderhouden en buiten de reuze platanen en enkele stoffige rozestruiken blijft er van pracht van de Moghultuinen weinig over. Het museum van Peshawar, gelegen op de Mal, bevat een grote verzameling objecten, munten en
beeldhouwwerken en uit de Griekse, Boeddhistische en de Gandara-periode. De basreliefs en beeldhouwwerken die het leven van Boeddha voorstellen worden inchronologische volgorde tentoongesteld. Ook vindt men er stenen
tafels met oude schrifttekens. Op eerste verdieping kan men een collectie houten kunstvoorwerpen van de Kalashen bewonderen. Ook vindt men er Musselmaanse voorwerpen en recente schilderijen van plaatselijke kunstenaars.
Aan de Grand Trunck road die vanuit Rawalpindi naat Khyber loopt, staat het oude Bala Hisaar fort, gebouwd tussen 1526 en 1330 door Babur, de eerste Monghul-keizer. Het fort wordt nog steeds door de militeiren gebruikt. Tegen
zonsondergang keren we terug naar ons hotel. Vele huizen in de stad zijn versierd daar het motgen feestdag is. Elkeen die een bezoek aan de Khyber-pas wil brengen moet in het bezit zijn van de nodige permits. Bab-i-Khyber, de
poort
van de pas, dateerd van 1964 en werd als een boog over de weg gebouwd. Op een lange muur naast de boog windt men Informatie over de pas. Het Khyber District was het het enige Afghaanse deel dat door Britten bij
Pakistan werd aangehecht. In het Khyber District geld nog steen een stammenpolitiek en er staan borden langs de hoofdweg die de automobilisten waarschuwen op de hoofdweg te blijven want daar alleen gelden de Pakistaanse
wetten. Om ons te beschermen tegen de strijdende stammen, krijgen we een gewapende ecsorte mee. Voorzien van automatische vuurwapensvergezellen twee militairen ons gedurende de rit. Elke Pathaan tot welke stam hij ook
behoort, leeft volgens een zeer strenge leefkode, de Punkhtumwali. Deze code is een soort machtsvertoon, een ideaal eerder dan een wet. Pathanen noemen streek dan ook " Ilaqar Ghaai" wat zoveel betekend als land zonder wet.
De Zarai-vallei wordt bewoond door Afridis, die elkaar permanent bevechten en steeds hun geweren bij zich dragen. Hun huizen zijn omgeven door muren versterkt met wachttorens en voorzien van schietgaten. De toegangspoort is
van kogelvrij staal en er wordt permanent wacht gelopen. Fotograferen stellen ze hier niet op prijs en ze zullen elke overtreding met een regen van kogels beantwoorden. Drugbaronnen vinden in deze steek ook een veilig
onderkomen.
Onze jeeps zoeken zich een weg door de kale heuvels. Al snel begint de weg te klimmen. Ongeveer 10 km na Jamrud heeft men het beste zicht over de pas. Vanhieruit kijkt men uit over de twee wegen die over de pas heen leiden.
Vrachtwagens met piepende versnellingen en pruttelende motere kreunen tijden het oprijden van de helling. De bovenste weg is de oud weg en wordt gebruikt door de mensen, kamelen en muilezelkaravanen. De geschiedenis van
de pas is lang en kleuurrijk. Zij start bij de komst van de Acheamenianen. Daarna kwamen de Griekse legers en zij werden gevolgd door een reeks veroveraars die met geweld door de pas trokken. Parallel aan de weg loopt de
Khyberrailway ontworpen door de Britten in de jaren twintig. Er weren 34 tunnels gegraven en 92 bruggen geslagen om het traject te verwezelijken. In Ali Masjid is de pas zijn nauwst, zoals de naam laat vermoeden staat hier een
moskee en hoog op de rots werd het fort van Ali Masjid gebouwd. Bij het fort hoort een Brits soldatenkerkhof. Talrijke gedenktekens werden uit de rotsen gehouwen door regimenten die stap voor stap de pas op Pathanen en
Afghanen probeerden te veroveren. De Pathanen hebben zich nooit onderworpen. In ruil voor het veilig stellen van de Britse militairen en handelsroutes kregen de Parhanen vrije beschikking over het omligend land. Het Shagai-fort
door de Britten gebouwd dateert uit het jaar 1920. Ook dit fort wordt nu door het Pakistaanse leger gebruikt. Doordat er geschoten wordt in de heuvels - iemand neemt vraak omdat een lid van de stam ten onrechte zou zijn
gearresteerd - krijgen we geen toestemming om door te rijden naar Landi-Kotal aan de Afgaanse grens. Op de terugweg stoppen we bij een Afghaans vluchtelingenkamp dat opgezet werd langsheen Jamrud Road. Hier kan men
allerlei lederwaren en verschillende soorten soorten wapens aan zeer voordelige prijzen kopen. De wapenhandelaaxe doen hun best op je naar hun stalletje te lokken. Regelmatig klinken er geweerschoten. Kopere moeten immers
hun waar testen. Door de oorlog in Afghanistan moet het verzet aldaar over voldoende wapens beschikken en aldus doen de wapenhandelaars hier gouden zaken. Zelfs penrevolvers kan men hier kopen. In de pen is plaats voor een
kogel. Door aan het uiteinde van de pen te trekken kan men op korte afstand iemand dodelijk treffen. Het arsenaal wapens dat hier wordt aangeboden gaat van eenvoudige revolvers en geweren tot volautomatische wapens en we
vonden er zelfs een heuse bazoeka. De verkoper demonstreert ons de mogelijkeheden van het wapen doch we moeten voor de munitie betalen. Als er geweerschoten weerklinken, kijkt niemand hier van op, hier zijn geen
politiemannen tnog soldaten te zien. Al doet de handelaar al het mogelijke om zijn waar verkocht te krijgen en prijst hij de kwaliteit van zijn klanditie aan, we gaan nog even verder kijken.
Een ander uitstap in de omgeving van Pesjawar is een bezoek aan de Zarghum Khell, bij de buitenstanders gekend onder de naam Darra Bazaar, wat markt in de bergen betekend. Niemand weet precies wanneer de Afridia wapens
zijn beginnen te maken. Er wordt verteld dat ze het recht kregen wapens te maken in ruil voor de veiligheid van de Britten die de Kohat-pas gebruikten. De wapenwinkels liggen langs de hoofdstraat, achter de winkels bevinden zich
de werkplaatsen waar met primitief gereedschap de wapens worden vervaardigd. Al zijn er 1500 handelingen nodig om een machinegeweer te maken, de wapenmaker komt tot een behoorlijk eindresultaat. En is de kwaliteit niet altijd
zo goed als bij de internationale merknamen, de wapens zijn hier een stuk goedkoper. De hele familie wordt betrokken bij het maken en de verkoop van de wapens. Meestal hebben deze wapenfabrikanten internationale connecties
en alle wapens van kleine geweren tot zwaar geschut kunnen nagemaakt en geleverd worden. De handigheid wordt van vader op zoon doorgegeven. Naast wapens worden in Darra ook smokkelwaar aangeboden. Marijuana en
andere verdovene middelen worden hier niet per gram of kilo, maar per ton verkocht zonder vrees voor de autoriteiten. Als ze de wapens testen of woorden hebben loop je best niet door de hoofdstraat, waar naast wapens ook nog
andere koopwaar te koop wordt aangeboden. Daar Iedereen hier zwaar bewapend rondloopt zullen ze wel even nadenken voor ze een schietpartij beginnen. Voor ons zijn deze mensen zoals overal in Pakistan uiterst vriendelijk. De
Grand Trunck Road naar Islamabad
loopt langs enkele plaatsen die van historisch belang zijn. Handelsroutes uit de vier windstreken kruisen elkaar in de vallei van Taxilla. Attock, gelegen aan tde Indus halverwege tussen Pasjawar
en Islamabad, werd een belangrijke stad toen in 1540 Sher Shah Suri shahi, de Shahi road aangelegde. Het Attock-fort werd gebouwd door keizer Akbar in 1581. Dit fort is niet toegangkelijk voor de bezoeker daar het leger er
gekaserneerd is. Taxilla is vast een van de belangrijkste archeologische vindplaatsen in Pakistan. De plaats werd genoemd naar Taksha, een prins uit de slangenstam en omvat de ruines van drie steden en talrijke kloosters en
stupa’s. Bir Mound, nabij het museum gelegen, is de oudste stad in de vallei. Sirkap werd als tweede stad gebouwd. Ze is de grootste en best bewaarde stad en werd door de Grieken geticht in 185 v.c. De hoofdstraten lopen in de
noord-zuid richting. De rechthoekige stad werd ommuurd door een 5 km lange wal, voorzien van vier poorten en rbezat een centraal open rioleringssysteem. De huizen telden twee niveaus die tot wel 20 vertrekken telden. In elk
huizenblok stond een stupa met een gouden koepel.
In het springend zijn de overblijfselen van een heiligdom met gekruiste en diagonaal lopende muren. Daar het zeker niet om een stupa gaat veronderstelt men dat het een zonnetempel zou zijn. Even vecder staat het schip van de
tempel met de dubbel hoofdige arend, een ernbleem dat door do Soythiens werd ingevoerd. Enkel de basis van deze stupa is overgebleven. Facinerend is de opeenvolging van artistieke invloeden. Een reeks zuilen met Korintische
kapitelen staan rond de basis. Men treft er nissen met Griekse frontons en Toranas, Indische bogen. In de stad men de ruines van het koninklijk paleis en van de woningen van de rijken blootgelegd. De vonst van geldstukken tijdens
de opgravingen zou er op wijzen dat er een munteenheid in gebruik was. Daar waar eertijds de monniken van het Jaulianklooster tijdens het droge seizoen water kwamen halen, vloeit nu water uit de bergen via moderne irregatie
kanalen naar vallei. Dit Boudistische klooster uit de tweede eeuw na Christus,werd rond 455 door de Hunnen afgebrand. Het complex bestaat uit drie delen, het plein met de kleine stupa, dat met grote stupa en het klooster. Het
binnenplein van het klooster werd omringd door 28 cellen die elk een nis bevatten. Op het dak waren nog eens 28 cellen. Eertijds was dit binnenplein versierd met Boeddha beelden en taferelen uit zijn leven. Via enkele trappen komt
men op het plein van de grote stupa. De basis van de grote stupa en 21 kleinere stupas zijn versierd met reliefs. In de nissen zitten vooral mediterende Bouddha's, omringd door zijn disipelen. Andere votieve stupas geschonken door
pelgrims zijn versierd met olifanten, leeuwen en naaktfiguren met vertrokken gelaat. Dat Bueddhamitra Dharmanandir enkele beelden aan het klooster schonk, kan worden opgemaakt uit het feit dat zijn naam vermeld staat op een
voetstuk van een geschonken beeld. Onderaan het voetstuk treffenwa Kharasthi-tekens aan, de taal van Gandhara. Het is een spijtige zaak dat sommige beelden verminkt werden en dus toont de plaatselijke gids ons de best
bewaarde beelden. De bedevaarders kwamen naar Jaulian en baden er voor genezing bij het beeld van de genezende Boeddha. Geen bezoek aan Taxilla is volledig zonder de grote stupa van Dharmajika gezien te hebben. Hij is de
grootste en ook waarschijnlijk de oudste stupa van Pakistan. Deze stupa gebouwd door keizer Ashoke in de derde eeuw v.c. gebouwd en huisde een releqie van Boeddha. Dat de supa veel aandacht kreeg blijkt uit de ontelbare kleine
votive stupas, kappelletjes en kamers die er rond staan.
Laat in de namiddag als de zon lange schaduwen trekt over de velden, rijden we door naar Islamabad waar we nog even een bezoek brengen aan Lok Virsa. Dit nationaal instituut van Folklore en traditionele erfgoed herbergt een
verzameling moderne en traditionele kunstvoorwerpen en ambachten. Hier kan men zien hoe ambachtslui werken, Hoe kunstvoorwerpen versierd worden en hoe deze vervaardigd worden. Een ruime belangstelling gaat uit naar het
weven van tapijten. Al wat hier vervaardigd wordt, wordt te koop aangeboden. Textiel is een van de hoofd exportproducten van Pakistan. Hier worden ook volksdansen uitgevoerd en kan men luisteren naar traditionele liederen uit
Pakistan. De acteurs zijn natuurlijk mannen. Man kan er proeven van gerechten uit de Pakistaanse keuken. Tijdens festivals wordt Lok Vitsa omgetoverd tot een pretpark waar vele Pakistani voor een daguitstap konen. Dit enorm
paard van ijzer en papier staat symbool voor Lok Virga. Kinderen en volwassenen vermaken zich op de primitive paardjesmolens, het reuzenrad en op de schommels, en dit ondanks het eenvoudige karakter van de attracties. Het
feest gaat door tot laat in de nacht en wie honger heeft kan terecht voor een snack in de plaatselijke eetstalletjes. Acrobaten, goochelaars en andere artisten geven er het beste van hun kunnen. Een bezoek aan Lok Virsa is dan ook
een aanrader en vast het beste einde van een reis doorheen Noord-Pakistan.