Gulmit
Erfgoed tussen bergen en hemel.
Gulmit
Gulmit, ook wel Gul-e-Gulmit
genoemd, is een stad in het
noorden van Hunza, Gilgit
Baltistan, Pakistan. Gulmit is
een eeuwenoude historische
stad met bergen, bergtoppen en
gletsjers. Het is een toeristische
trekpleister met veel historische
bezienswaardigheden, hotels
en een museum.
Hoote: 2.465 m
Info
Het dorp en de Cultuur
Gulmit diende eeuwenlang als de zomerhoofdstad van de voormalige staat
Hunza. Het dorp staat bekend om zijn rijke erfgoed, traditionele houten
architectuur en het lokale museum met eeuwenoude wapens en
gebruiksvoorwerpen. De bewoners zijn voornamelijk Wakhi en spreken de Wakhi-
taal. Ze staan bekend om hun gastvrijheid, hoge geletterdheid en progressieve
gemeenschap. blauwe daken en muren.
Gulmit ligt op een vruchtbaar plateau met als achtergrond de scherp getande pieken van de Passu en de Batura. Een stoffige pietse leidt naar de oude dorpskom met centraal in het dorp het poloveld. Aan het einde van het poloveld
staat het paleis van de Mir. Sinds 15 jaar wordt het niet meer gebruikt. Gulmit was de tweede hoofdstad van de Hunza-vallei. In een lokaal museum toebehorend aan de vorst Raja Bahadur Khan werd een verzameling Hunza
geschiedenis samengepakt in een oud traditioneel huis. Maast opgezette dieren die in de steek leven zoals de bergsneeuwhoen en de ram charkkhor vinden we er een schedel van het nu met uitsterven bedreigde Marco Polo-
schaap. Het grootste huis van het dorp, zou ook het oudste zijn en althans volgens de eigenaar 200 jaar oud zijn. Voordat het paleis gebouwd werd, logeerde de Mir hier. Mits een bescheiden inkom mag men het huis bezoeken.
Slaapkamer, keuken en leefruimte vormen een vertrek, alles is gegroepeerd rond het kachel. Smalle straatjes waar mebn met twee mensen mensen naast elkaar kunnen lopen, doorkruisen het oude Gulmit. De ramen in de woning
werden klein mogelijk gehouden om de es winteres de warmte binnen te houden en s’omers de hitte buiten te sluiten. Het is ochtend en de kinderen trekken naar de plaatselijk school dat gefinancieerd wordt door de Aga Khan. De
mannen trekken naar het veld. Al heeft Gulmit niets speciaals te bieden, toch is het er aangenaam vertoeven. De dorpelingen worden als de meest gastvrij en vriendelijkste mensen langheen de KKH beschouwd. Vrouwen lopen hier
niet gesluierd rond, ze genieten van een realtieve grote vrijheid. Ze komen buiten en mogen met mannen en vreemdelingen praten, iets dat ongehoord zou zijn in het grootste gedeelte van Pakistan.
In het dorpje treffen we een oude Shia-Moskee aan daterend uit 1800. De moskee is opgetrokken uit hout en leem. Deurkalven en raamkozijnen zijn versierd met de symbolen van de Hunza-dynastie. Zoals in vele dorpen speelt een
gedeelte van de huiselijke taken zich af op de platte daken. Onze tocht door het dorpje gaat niet onomgemerkt voorbij en nieuwschierig komen ze buiten kijken wat er gaande is. Ze laten zich graaf fotograferen en we beloven hen de
foto' s op te sturen. Deze zullen ze samen met de andere herinneringen aan de muur in de leeftruimte omhoog hangen. Ondanks zij ons, en wij hen niet verstaan, komt er algauw een gesprek met gebarentaal op gang, en
verbroederen wij met hen. Dan worden we uitgenodigd in een eenvoudige woning. Op de lemen verhogen liggen kleurlijke pattu’s geweven wollen dekens. Overdag doen ze dienst als zitbank, s’ nachts worden ze als bed gebruikt. In
een centraal gedeelte ontvangt men de gasten. Men biedt hen meestal een kop hete thee aan en kurut, noedels vermengd met gedroogde yohurt en gegeten met patti. Door een kleine opening in het dak dringt er zonlicht binnen.
Naast patti maakt men ook nighan, een dun rond tarwebrood dat op een dikke pannekoek lijkt. De hoofdmaaltijd ghazikh, beetaat uit aardappelen, kolen, rapen en pompoenen geserveerd met rund of schaap. Als drank kennen ze
chamosh, een koude wakhi-drank van gernalen abricozen. We slenteren verder door het dorpje en komen meer te weten over de gebruiken en leefwijze van deze bergstarnmen. Als vrouwen elkaar ontmoeten, omhelzen en kussen ze
elkaar. Deze begroeting lijkt op een franse accolade. Als kinderen een oudere persoon tegen komen, maken ze een kniebuiging. en kussen ze van de handen van de oudere, om deze vervolgens tot aan hun voorhoofd te brengen. Op
school draagt men hier nog een uniform, bij de meisjes ontbreekt de dupatta niet. Vanuit Gulmit kan men wandelingen maken naar het hogergelegen Kamariedorp, het Ghulkindorp en het romantisch gelegen Boritmeer. De moskee
van het Ghulkindorp is zoals de meeste gebouwen opgetrokken uit hout en op een verhoog van steenslag geplaatst. We wandelen door het dorpje. De kinderen onderbreken even de Ies en kijken nieuwsgierig naar wat er op straat
gebeurd. De houten laders die bij elk huis staan opgesteld, verlenen toegang tot het platte dak.
Even buiten het dorp leidt het pad steil de heuvel op naar de Gulkin-gletjer. We zoeken een doorgang tussen een labyrint van ijs en rotsen. De zuidkant van de Gletjer is bedekt met morenen. In het noordelijk deel zijn verraderlijke
spleten in de ijsmassa. Deze enorme gletjer glijdt als een buldoer door de vallei en sleurt traag maar zeker alles wat hij op zijn weg tegenkomt met zich mee. De Ghulkin-gletjerjer komt tot aan KKH, waar hij reeds een deel van de weg
en het bruggenhoofd over de rivier vernielde. In zijn dolle vaart vernielde hij ook een deel van het dorp Hussaini van de kaart. De tocht over het glibberigpad en langgheen de ijskloven is niet zonder gevaar. Doch voor enkele
muntstukken tonen kinderen en volwassenen je graag de weg en dragen je rugzak. Tussen en onder het ijs door vloeien kleine riviertjes gevormd door smeltwater, het is dus extra uitkijken waar je stapt. Dat een mengsel van en
steenslag uiterst glad is, ondervond Fernand, die na het nemen van een foto wegschoof totdat een rotsblok hem tegenhield vlak voor een diepe kloof in het ijs. Gelukkig had hij slechts enkel schaafwonden en kneuzingen, samen met
de rest van de groep kon hij de overzijde van de gletjer bereiken. Lopend langsheen de grillige rotsformaties vervolgen we onze weg naar het Boritdorp. We moeten over muurtjes die de velden beschermen klauteren om in het dorp te
komen waar we langs de huizen kuieren. Ook hier dragen de vrouwen dat typische gebroduurd hoedje. Hun lange zwarte haren worden door twee vlechten bij elkaar gehouden. In dit afgelegen dorpje kunnen de vrouwen ook vrijer
met vreemdelingen omgaan. Door het harde leven in deze streek is hun gelaat diep gegroefd en de huid is bijna perkament geworden. In de nabijheid van dorp ligt het Borit meer, dat vroeger veel groter was daar het gevoed werd de
de Ghulkin-gletjer. Doordat deze zijn beding verlegde loopt er minder water naar het neer. Door de poreuse ondergrond zakt langzaam maar zeker het waterniveau. Op de oevers kristalliseren calciunzouten uit en vormen een witte
korst: Borit, dat een Wakhi woord is dat zout en brak water betekent. Rond het meer werden velden en boomgaarden aangelegd. Tussen de struiken langs de oevers grazen geiten. We rijden naar de KKH toe. In het dal vloeit de
Hunza. Doordat het smeltwater van de gletjer hier in de rivier vloeit, wordt deze een grote modderstroom verzadig net grint en kiezel. De talrijke kloven in de oever worden steeds meer en meer uitgeschuurd. Hier achterhalen we de
betekenis van “Karan Koran” van dat zoveel wil zeggen als zwart afbrokkelende rots. We trekken verder noordwaarts via de Pagsu- en Baturabergketens met toppen boven de 7500 meter. Het zijn uiterst ruwe bergketens met
uitzonderlijk scherp getande toppen. De witte Passu-gletjer steekt scherp af tegen het zwarte omringend landschap.
Vanuit het dorpje Passu vertrekken onder leiding van berggidsen expedieties naar de toppen van de Batura, de Passu, de Kuk en de Lupgar. Ook worden er van hier uit trekkings in de vallei van de Shimshal en over de 60 km lange
Batura-gletjer georganiseerd. Passu ligt geklemd tussen de zwarte Datura en de witte Passu-gletjer en is een van de oudste nederzettingen van Gojal. De piek is een oase van groen midden in een onherbergzaam
landschap. Om
plaats te maken voor landbouwgronden en boomgaarden, bestaat er een
plan om het dorp naar een hogere plaats te verhuizen. Dit plan kwam er omdat er een geografische vloek op Passu rust. Gletjers dammen periodisch de vallei en
de riviere af waardoor Passu regelmatig overstroomt en delen van het dorp onder het zand en grind bedolven worden. Het laatste dorp voor de Chinese grens is Sust. Het is niet een echt dorp maar een douane en emmigratie-
checkpoint. De grens ligt zo'n 50 km verder. Om Pakistan te verlaten moeten hier voor 11 uur s’ morgeng de nodige formaliteiten worden vervuld. Vanaf 16 uur kan het in tegenovergestelde richting. Ook wij die maar tot aan de grens
willen, moeten ook een aantal papieren laten invullen en onze passen laten inkijken. Dit alles gebeurt natuurlijk tergend traag. Rond deze checkpoint hebben doordachte handelaars een zaakje opgezet. De wachtende komen wel een
kijkje nemen, wie weet kopen ze wel iets. Broerderlijk wachten Pakistani op een vriend of een familielid die terugkomt uit China. Aan de emigratie en douanepost post wacht elkeen geduldig zijn beurt af, de administratieve molen maalt
hier nog langzamer dan bij ons. In gehurkte houding, die zo typisch voor Azie, kunnen deze mannen uren palaveren. Eindelijk rijden we verder, doch eerst moet nog even getankt worden aan het laatste benzinestation voor de Chinese
grens. Een rij autobussen, minibussen en jeeps schuiven aan. Dat is niet verwonderlijk daar tanken hier nog manueel gebeurt. Om beurten lossen onze elkaar af om het wiel rond te draaien dat de benzine naar boven pompt. Het dal
ondergaat een spectakulaire verandering. De Kunjerad-rivier heeft hier een kloof uitgeschuurd die zo is dat het zonlicht door de hoge vertikale wanden wordt tegengehouden. Als een slang kronkelt de rivier zich tussen de rotsen door.
Even voorbij Khundabad splitst de weg. Een smalle jeeptrak volgt de Abghat-vallei. De oude zijderoute liep door dit dal om de 4.700 meter hoge Mintahapas te bereiken. Checkpost Koksil is de laatste kontrolepost voor de Chinese
grens.
De officieren belast met de kontrole zijn ondergebracht in enkele eenvoudige tenten die hen moeten bescherme, tegen barre weersomstandigheden die je op deze hoogte aantreft. Twaalf haarspeld bochten brengen ons tot aan de
4733 meter hoge Kunjerab-pas. De vallei wordt breder, de rivier veranderd in een kabbelende bergstroom waarvan de oevers afgeboord zijn met gras. De besneuwde bergtoppen steken af tegen de gitzwarte bergflanken. Boven
komen we aan op een enorm groen plateau, waar kudden schapen, geiten, tamme dzu' s en wilde yako grazen. De Dzu'o zijn een kruising tussen een Yak en een rund. In de omgeving ligt ook het Karakoran nationaal park dat opgezet
werd om de enkele honderden overblijvende Marco Pole-schapen te beschermen. Hier op de hoogste grensovergang ter wereld zouden ook nog het zeldzame sneeuwluipaard, marmotten en bruine beren een onderkomen vinden.
Dan bereiken we de grens met China, waar een eenzame officier tussen twee grenspalen u de doorgang naar China belet. Hier op de hoogste grensovergang ter wereld staat een gedenkplaat die de bezoeker er aan herinnert dat de
pas en de weg in 1982 werden opengesteld. Deze grensovergang ligt op 16000 voet of 4847 meter. Als grenssignalieatie staat er een verkeerspaal waarop in groene lettere staat: Pakistan, rij links, en in rode letters : China, rij rechts.
De Kunjerab is ook de scheidingslijn tussen de continentale waters. Het Pakistaanse waterbekken vloeit naar de Indische oceaan, het water aan de Chinese zijde wordt door de Taklamakanwoestijn opgeslorpt. Taklamakan betekend
zoveel als " Als je er binnen gaat dan zal je er nooit meer uit komen. Kunjerab wordt als "Bloedvallei" vertaald omdat het op deze plek was dat de Kanjuts uit Hunza de karavanen overvielen en plunderden. Ze waren echter aangesteld
om deze karavanen te bewaken en voor de moeite ze het recht tol te heffen, doch als deze niet voldoende was, plunderden ze de karavanen. Nu na tien dagen hebben we het noordelijkste deel van onze reis bereikt en keren we via de
KKH terug zuidwaarts .